Verslag "Mamma, als pedagoog ben jij volledig mislukt"

Lezing, gehouden voor de vereniging Choochem, door drs. E.W.J.M. (Eleonoor) van Gerven op dinsdag 30 mei 2000 te Zwolle.


1. Van informele naar formele ondersteuning

vroeger: nu:
- opvoeding is taak voor vrouwen - opvoeden is taak voor man + vrouw
- gericht op disciplinering - gericht op begrip
- sociale omgeving sterk betrokken - oorspronkelijke netwerk valt weg
- familie en buren als informele hulpverleners - professionele opv. als formele hulpverleners
- geslaagde opvoeders kunnen het alleen af - schande met een hoofdletter 'S'

Ben je als opvoeder mislukt wanneer je met je kind in de professionele opvoedkundige hulpverlening terecht komt? Vroeger bestond dergelijke hulp helemaal niet, behalve voor jeugdige criminelen. Pas na 1930 is de opvoedkundige hulpverlening op gang gekomen voor kinderen die geen achtergrond van jeugdcriminaliteit hadden. Vroeger betrof de opvoeding vooral de materiële verzorging. Er is veel veranderd. Tegenwoordig richten we ons meer op het immateriële welbevinden van het kind. Al betekent dit overigens niet dat de aandacht voor het materiële verdwenen is. Waar we vroeger met moeder, zus of buurvrouw overlegden, zijn we nu aangewezen op opvoedkundige ondersteuning van buiten het gezin en directe omgeving. Dat komt doordat oude sociale structuren zijn verloren gegaan. Terwijl we nu niet vaker om hulp vragen dan vroeger, spreekt men er nu schande van wanneer je professionele hulp nodig hebt. En dat komt weer omdat we tegenwoordig gedwongen worden bij 'de vuile was' buiten dat eigen kringetje te hangen.

2. Snel scoren van hulpverlener is zinloos voor ouders

Ouders worden nogal eens geconfronteerd met vooroordelen: "geslaagde opvoeders kunnen het wel alleen af". Maar begrijp goed: er is "geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan". Direct afkeuren van opvoedkundig handelen door de hulpverlener is zinloos. Dikwijls geven ouders dubbele boodschappen af. Daar mag en moet de hulpverlener tactvol op wijzen.

3. Laat je niet gek maken: vijf basisregels voor goed ouderschap
1. Overal komt wel eens rottigheid voor. Wie zegt dat hij nooit problemen heeft, liegt dat 'ie barst. Je bent nooit helemaal alleen.
2. Je bent eerst mens, dan pas ouder. Je hoeft niet feilloos te zijn: ouders zijn geen supermensen. Je mag fouten maken. Er mag een eind komen aan je geduld. Er mag ook een eind komen aan je incasseringsvermogen. Kersverse ouders stellen zich het ouderschap vaak veel te mooi voor: besef dat dit sprookjes zijn.
3. Hulp vragen is een teken van goed ouderschap. Als ouder ben je het meest betrokken bij je kind. Je verdient waardering voor die betrokkenheid (maar helaas krijg je die waardering maar zelden).

4. Kinderen zijn maar geleend. Opvoeden is voorbereiden op zelfstandigheid. Je rol verandert voortdurend: naarmate je kind ouder wordt, neemt ook de zelfstandigheid van je kind toe. In dat proces sta je soms met ingehouden adem en met gewrongen handen toe te kijken.
5. Ga af op je eigen gezonde verstand. Handel op basis van wat je weet. Wat is op dit moment, voor dit kind, in deze context, de beste beslissing? Je hebt een voorsprong op iedereen, niemand kent jouw kind zo goed als jijzelf! Opvoeden kàn ook heel leuk zijn. Humor werkt relativerend.

4. Alles is méér: het opvoeden van het hoogbegaafde kind

De opvoeding van hoogbegaafde kinderen vraagt andere, intensere en extra zorg. Steeds weer moet je opkomen voor je kind. Geen wonder dat je soms moegevochten bent. Toch is het ook weer leuk om hoogbegaafde kinderen op te voeden: je krijgt reacties, je ontmoet een humor die andere ouders nooit krijgen. Niet alleen de zorg is anders, je ervaart het ouderschap ook anders. 't Is wel een eenzaam ouderschap: een praatje met de buurvrouw over de rapportcijfers van je kind is voor de meeste ouders niet weggelegd.

5. Opvoedkundige hulp

Over haar eigen adviespraktijk vertelt Eleonoor van Gerven dat zij vooral optreedt als een tussentraject wanneer het bij de ouders "even op is". Zij richt zich op praktisch handelen, zo snel mogelijk, met de bedoeling de ouders weer zelfvertrouwen en "ruimte" te geven, mentaal en emotioneel. Daarbij probeert ze helder te krijgen waar de problemen liggen: op school, thuis, thuis én op school, of betreft het diepere problemen van het kind?
Problemen thuis hebben vaak te maken met gezagsaantasting, met conflicten met huisgenoten, kortom: ongewenst gedrag.
Als een hoogbegaafd kind thuis problemen geeft, is er vaak sprake van een emotionele tegenstelling, een soort "Belle en het Beest". Wanneer ouders in zo'n situatie geconfronteerd worden met de vraag "Noem eens drie leuke kanten van je kind", is het resultaat vaak dat ouders dan voor 't eerst van hun leven erkennen: "Help, mijn kind is een monster!" Maar: je zégt niet je een rotkind hebt!
Toch is dat soms nodig om verder te kunnen. Maak daarbij onderscheid tussen wat je kind doet, en wie het is!!

De blinde en de ruïne

Je woont heel aangenaam in een leuk huis. Maar helaas, door een ongelukkig toeval verlies je je gezichtsvermogen. Gelukkig is er in Amerika één dokter die je blindheid kan genezen. Hij heeft echter onafzienbaar lange wachtlijsten; ook zul je jaren moeten sparen om de reis naar Amerika en de behandelingskosten te kunnen betalen. Eindelijk, na vele jaren, is het zover: je vliegt naar de States, je wordt behandeld en je kunt weer zien! Terug in Nederland volgt de ontluisterende ervaring: je komt weer bij je eigen huis, maar je herkent het niet meer! Is dit haveloze bouwval het leuke huisje dat jij je nog herinnert uit de tijd vóórdat je je gezichtsvermogen verloor? Er zit maar één ding op: je zoekt de kamer die nog het best bewoonbaar is. Daar begin je de boel op te knappen, en van daaruit probeer je bij stukjes en beetjes ook de rest van het huis weer toonbaar te maken.


Ga op zoek naar wat nog heel is! Begin in de kamer die nog het best bewoonbaar is: de positieve dingen bieden mogelijkheden voor de toekomst. Bedenk dat renovatie een plan is op de lange termijn.
Ongewenst gedrag.
Kwalificeer drie soorten gedrag:
-absoluut ongewenst gedrag
-positief gedrag
-ongewenst, maar niet primair.
Zorg dat je een vaste boodschap uitzendt, wees consequent t.a.v. belonen en straffen.
Maak de waardering van positief gedrag visueel: gebruik groene en rode blokjes, stickersysteem of staafgrafiek om zichtbaar te maken hoe je kind zich in de afgelopen week heeft gedragen.
Beloon het weekresultaat! Die beloning komt niet van Bart Smit, maar bestaat uit een stukje positieve extra aandacht ("Wil jij zaterdag voor ons koken?", "Zondag gaan wij samen een eind wandelen!") Leg uit wàt je positief waardeert en waarom. Zeg bijvoorbeeld: 'fijn dat je even je kamer hebt opgeruimd, daardoor had ik even tijd om de krant te lezen'.

6. Criteria bij het zoeken van hulp. Wat verwacht je van de hulpverlener?

-Intelligentieonderzoek?
-Ondersteuning op het cognitieve vlak?
-Ondersteuning op opvoedkundig gebied?
-Hoe intensief moet de ondersteuning zijn?
-Moet de hulpverlening gericht zijn op hoogbegaafdheid?
-Zijn de problemen van cognitieve of sociaal-emotionele aard?
-Welke resultaten verwacht je op korte en langere termijn?
-Hoe is de inbreng van de school?
-Kun je hulp betalen?

Kun je nog wachten? Vaak krijg je te maken met lange wachtlijsten. Snelle hulp kan duurder zijn. Bij het inschakelen van meerdere gespecialiseerde hulpverleners loop je het risico van verbrokkelde hulpverlening, waarbij je na afloop niet meer weet wie wat heeft gedaan en welk rendement het heeft opgeleverd.

7. Beantwoording van enkele vragen uit de zaal

Kunnen hulpverleners die geen specifieke kennis van hoogbegaafdheid hebben, ons wel goed adviseren?
Volgens Eleonoor van Gerven is het een ernstig misvatting om te denken dat problemen bij hoogbegaafde kinderen alleen voortkomen vanuit die hoogbegaafdheid. Niettemin: een hulpverlener die afwijzend staat tegenover hoogbegaafdheid zal nooit adequate hulp kunnen bieden. Staat de hulpverlener er wel voor open, is er bereidheid om zich in de materie te verdiepen, dan ben je op de goede weg. Soms moet je om praktische redenen (bijv. vervoer) kiezen voor een hulpverlener dichtbij, ook al is die niet deskundig op het gebied van hoogbegaafdheid. Als hoofdredacteur van het tijdschrift Talent is Eleonoor van Gerven o.a. bezig te inventariseren welke hulpverleners in het land zich bezig houden met hoogbegaafdheid.

Mijn zoontje van 5 ½ is lui, 't is een echte onderpresteerder. Hoe ver moet je gaan met zo'n kind? Ik wil hem ook niet altijd opjutten...
Een echte onderpresteerder laat vaak nog wel ergens een positief kenmerk zien: ook al doet 'ie op school niks, dan is 'ie thuis vaak nog wel intensief bezig met dino's, indianen, oude culturen, ruimtevaart, computers.
Spreek met de leerkracht af dat er per dagdeel één eis aan het kind gesteld wordt, één taak moét af. Kijk dan naar de kwaliteit dan dat werk: welke taak kiest hij, wat interesseert hem nog wel? Vraag ook niet uitsluitend schriftelijke output: schrijven is vaak een crime voor zo'n kind. Blijf praten met het kind: wat vind 'ie moeilijk? Het probleem met onderpresteerders is vaak dat ze hun doelen te hoog stellen: omdat ze dat onredelijk hoge doel toch niet kunnen bereiken, doen ze maar niets. Dan hoeven ze dus ook niet te falen. Probeer het kind zover te krijgen dat 'ie reële prestaties neerzet.

Om onderpresteerders duidelijk te maken dat ze de schuld niet altijd bij anderen mogen leggen, zouden ouders en leerkrachten gebruik maken het verhaal van de hond die zich verveelde. Het verhaal van de hond wordt in diverse trainingen en cursussen sociale vaardigheden en assertiviteit gebruikt (o.a. door Facta in de cursus rationele zelfanalyse). Dit verhaal illustreert voor kinderen hun eigen verveling en demotivatie. Het is natuurlijk geen wondermiddel!


Herdershond ligt eenzaam te wachten. 't Is vakantie, alle honden uit de buurt zijn ondergebracht in het asiel. Saaie boel hier... Hee, daar komt een man aan: die pak ik! De herdershond bijt de man in z'n arm. "Ssst, koest, braaf", roept de man. De hond vindt het maar raar: nou bijt je iemand in z'n arm en dan roept 'ie dat je braaf bent. Wacht, ik bijt 'm ook in z'n andere arm! "Ssst, koest, braaf..." De hond snapt er niks van. Intussen is er een andere man om de hoek verschenen: die ziet het allemaal gebeuren en jaagt de hond hardhandig weg.


Na dit verhaal vraag je aan het kind: kreeg die eerste man wat hij graag wilde? Wilde hij gebeten worden? Nee toch? Waarom riep hij dan "Ssst, koest, braaf"? Die hond was helemaal niet braaf!
De moraal van dit verhaal: het kind moet leren duidelijke, eerlijke signalen af te geven en niet onder te duiken als 'ie zich verveelt. De leerkracht is geen helderziende, kan niet merken dat de stof te saai is als het kind geen signaal afgeeft. Leer kinderen daarnaar te kijken. Wie uit verveling als stoorzender gaat optreden in de klas, is bezig rode kaarten te verzamelen. Een voetbalteam dat alleen maar rode kaarten verzamelt, wordt gediskwalificeerd. Het kind moet de goede boodschap op de goede manier uitzenden. Probeer het kind te leren inzien dat het zelf mede schuldig is aan de situatie waarin het beland is, wanneer het geen (goede) signalen heeft afgegeven.

En verder:
Ouders: blijf in gesprek met de school van je kind, wacht niet tot er problemen komen.
Denk niet dat versnellen altijd dé oplossing is. Haal wel de herhaling uit het programma (compacten). Zet de hoogbegaafde kinderen van de school 1 uur per week bij elkaar: dat ene uur per week kan voor het kind de drijfveer zijn om ook de rest van de week een prestatie neer te zetten. De begeleiding van dat uurtje kan gebeuren door een leerkracht of door een ouder (van een hoogbegaafd kind) gebeuren. Hoogbegaafde kinderen formuleren vaak heel exact. Dat kan heel leuk zijn, maar 't komt soms ook heel negatief over. Hoe ontwikkel je bij zo'n kind de nodige fijngevoeligheid zodat het aanvoelt wanneer je zo'n "grap" wél kunt maken en wanneer niet?
Maak duidelijk dat andere mensen andere antwoorden geven. (Voorbeeld: op de vraag "Vind je dat niet mooi?" reageren de meeste mensen met "Ja", maar jij zegt "Ja, ik vind het lelijk". Je hebt gelijk, maar de meeste mensen reageren dus anders dan jij!)
Laat het kind kijken naar het effect van z'n woorden. Viel je reactie verkeerd? Wat gebeurde er toen jij dat zei? Hoe had je ervoor kunnen zorgen dat de ander op een andere manier reageerde? Leer het kind te reflecteren op z'n eigen gedrag.

Hoe leer je een kind om niet als stoorzender te fungeren? Mijn kind weet drommels goed dat 'ie stoort, maar het stoorgedrag blijft.
Definieer eerst wàt je precies onder stoorgedrag verstaat en waarom je het storend vindt dat het kind dit doet.
Ga niet de hele dag op stoorgedrag zitten vitten. Spreek met het kind af: één periode per dag gaan we letten op je gedrag. Later kun je dat uitbreiden tot twee periodes per dag. Het kind moet competent worden verklaard om het eigen gedrag te reflecteren. Grijp die korte periodes aan om te illustreren dat het goed gaat. Het is gemeen om een kind een opdracht te geven waarvan je weet dat 'ie het niet aan kan. Een hele morgen niet storen? Zo'n morgen duurt veel te lang. Niet storen tijdens (bijvoorbeeld) het kringgesprek is een haalbare opdracht.

Mijn kind van 6 gaat op tijd naar bed, maar slaapt pas heel laat. "Mijn hoofd staat nog niet stil." Wat moet ik daarmee?
Denk niet dat lichamelijke inspanning (bijv. sport) een oplossing biedt: er treedt dan wel lichamelijke vermoeidheid op, maar het hoofd gaat gewoon door. Als een kind 's avonds pas laat kan slapen, is dat vaak een signaal dat het kind cognitief te weinig gevoed wordt. Boos worden heeft geen zin. "Je blijft op je kamer, in je bed: je mag lezen, de radio mag zachtjes aan." Na verloop van tijd moet het boek dicht en zal het kind bij de zachte muziek wel in slaap vallen. Een andere oplossing is de dag van voor naar achter nog eens even door te nemen. Wat ging er mis, wat ging er goed. Focus jezelf daarbij vooral op het goede. Je kunt kinderen door dit heel regelmatig te laten doen, goed leren hun 'hoofd te legen'
(Aanvullende reactie uit de zaal: in sommige gevallen werkt massage heel goed om het kind te laten slapen.)

verslag: Dick Sanderman 01/06/2000

SitemapContact