Balans: WISC-III, een uitleg over de nieuwe WISC

Met goedkeuring van de Redactie van Balans mag HIQ het volgende artikel uit Balans Belang nr. 1/2003 overnemen:


De Nieuwe WISC - III: Vernieuwde intelligentietest nu ook in Nederland en Vlaanderen.

Slimmer of dommer
Door de nieuwe normering vallen de scores met de WISC-III NL gemiddeld 6 tot 9 punten lager uit dan met haar voorganger de WISC-R. Het is ook een bekend gegeven dat kinderen de laatste 70-80 jaar steeds hoger op deze test gaan scoren. De scores liggen ieder jaar gemiddeld een half procent hoger dan het jaar daarvoor. Voor een test die 16 jaar oud is zou dat betekenen dat er gemiddeld 8 punten hoger gescoord wordt dan in 1986. We noemen dit het “Flynn Effect”. De nieuwe normering is dus ook bedoeld om het Flynn Effect te corrigeren. Algemeen wordt aangenomen dat deze vooruitgang komt door de betere biologische conditie van kinderen en de technologische vooruitgang. Voor uitspraken over de hoogte van de intelligentie maakt dit niet zoveel uit omdat we toch altijd met een marge werken. We zeggen eigenlijk nooit “het kind heeft een IQ van 105”. We noemen het dan een gemiddeld IQ omdat 50% van de bevolking scoort tussen 90 en 110. Bovendien houden we in een overgangstijd ook altijd rekening met de vernieuwing. Om tot een kwalitatief goede uitgave van de WISC-III te komen met representatieve normen, wordt momenteel nog aan een aanpassing gewerkt, die in de loop van 2003 bekend zal zijn. Tot die tijd is voorzichtigheid met de scores geboden.

Een van de meest gebruikte intelligentietests is de WISC. In September 2002 werd in Nederland een hernieuwde versie geïntroduceerd. De WISC meet het algemene intelligentieniveau. Dit wordt aangeduid met de letter IQ, een afkorting van Intelligentie Quotiënt. Het IQ is samengesteld uit twee onderdelen: het verbale IQ en het performale IQ. Het verbale IQ meet (grofweg gezegd) de vaardigheden op het gebied van taal. Het performale IQ meet ruimtelijke vaardigheden. Een IQ van 100 is gemiddeld. Het getal 100 geeft aan dat 50% van de Nederlanders een IQ heeft dat ligt tussen de 90 en 110. De andere 50% zit daar beneden of daar boven.

- 111 - 120
- 121 - 130
- boven 130
- 80 - 89
- 60 - 79
- onder 60
   wordt boven-gemiddeld genoemd
begaafd
zeer begaafd
beneden gemiddeld
moeilijk lerend
zeer moeilijk lerend

De WISC-III NL is opgebouwd uit 13 verschillende onderdelen ofwel sub-tests. Bij de vorige versie waren het er 12. Die sub-tests bestaan weer uit verschillende vragen of opdrachten. Iedere subtest begint met een makkelijke vraag of opdracht; daarna wordt het steeds moeilijker. Degene die de test afneemt legt elk nieuw onderdeel met een voorbeeld uit. Daarna is de beurt aan het kind. Er wordt gestopt als de vragen of opdrachten te moeilijk worden (dat wil zeggen: als het kind een aantal vragen achter elkaar verkeerd beantwoordt).

De 13 sub-tests van de WISC-III zijn:

Sub-test 1: Onvolledige tekeningen
Dit zijn tekeningen van bekende voorwerpen waaraan iets kleins ontbreekt. Het kind moet zeggen of aanwijzen wat ontbreekt. Dat kan bijvoorbeeld een indruk geven van de waarneming van een kind: kijkt het alleen globaal, of kijkt het ook naar details.

Sub-test 2: Informatie
Dit onderdeel bestaat uit allerlei vragen naar algemene kennis, veelal feitjes of informatie die het kind in zijn omgeving heeft opgedaan. Deze sub-test geeft een beeld van de algemene ontwikkeling van een kind.

Sub-test 3: Substitutie
Het kind krijgt een vel papier met een heleboel cijfers erop. Bij elk cijfer hoort een bepaald teken (in een voorbeeld is te zien welk teken dat is). Het kind moet de tekens zo snel mogelijk achter de cijfers invullen. De score op deze sub-test zegt iets over het visuele korte termijn geheugen.

Sub-test 4: Overeenkomsten
Het kind krijgt een aantal woordparen te horen. Het moet telkens aangeven wat de overeenkomst is tussen de twee woorden. We kunnen daarmee een indruk krijgen van het logisch redeneren.

Sub-test 5: Plaatjes ordenen
Series plaatjes worden door elkaar geschud. Het kind moet de plaatjes in de goede volgorde leggen, zodat ze een verhaaltje vormen. Dit kan iet zeggen over ht visueel organiseren en het logisch redeneren.

Sub-test 6: Rekenen
Het kind krijgt een aantal 'verhaaltjessommen' te horen. Het moet de antwoorden uit het hoofd uitrekenen. Deze test is bedoeld om een indruk te krijgen van de rekenvaardigheid.

Sub-test 7: Blokpatronen
Met blokken moet het kind patroontjes naleggen. Dit kan iets zeggen over het ruimtelijk inzicht.

Sub-test 8: Woordkennis
Het kind moet de betekenis van allerlei woorden geven.

Sub-test 9: Figuur leggen
Het kind moet puzzels maken met ongekleurde puzzelstukjes. Dit zegt iets over de vaardigheid om van delen of stukjes een geheel te maken.

Sub-test 10: Begrijpen
Het kind moet vragen beantwoorden over allerlei sociale situaties. Deze test is bedoeld om een indruk te krijgen van het 'sociale snapvermogen'.

Sub-test 11: Symbolen vergelijken
Deze sub-test levert informatie op over de snelheid waarmee visuele informatie wordt verwerkt.

Sub-test 12: Cijferreeksen
Het kind moet cijferreeksen nazeggen. Naarmate de test vordert worden de reeksen steeds langer. Eerst moeten ze in de gewone volgorde worden nagezegd, daarna in omgekeerde volgorde. Dit kan een indruk geven van het auditieve geheugen van het kind. Het gaat bij het auditief geheugen met name om het vasthouden en reproduceren van relatief betekenisloze informatie zoals losse klanken of woorden.

Sub-test 13: Doolhoven
Bij elk doolhof moet het kind met een potlood de weg naar buiten tekenen. Deze test geeft inzicht in het vermogen om te plannen en te organiseren.

Berekening
Voor iedere sub-test wordt de score, het cijfer, berekend. Alle scores bij elkaar geven de ruwe score, die moet worden omgerekend naar de leeftijd. De sub-tests 2,4,6,8,10 en 12 hebben betrekking op de verbale mogelijkheden (de mogelijkheden die te maken hebben met de taal). De andere zeven (1,3,5,7,9,11 en 13) zijn meer praktische opdrachten. Deze hebben betrekking op de performale mogelijkheden. Er wordt een verbaal IQ berekend (VIQ) en een performaal IQ berekend (PIQ). Samen geeft dat de totaal score: TIQ.

Daarnaast kan de factorscore bepaald worden. Bijvoorbeeld de factor 'verbaal begrip'(het begrijpen van de taal) of de factor 'perceptuele organisatie' (waarneming) en, nieuw bij de WISC III, de factorscore 'snelheid van verwerken'.

Met een intelligentietest kan niet worden vastgesteld of iemand dyslexie heeft, of ADHD of een andere gedrag- of leerstoornis. Wel geeft het afnemen van de test soms aanwijzingen in die richting. Een intelligentietest is vooral van belang om voor de behandeling zicht te krijgen op de sterke en zwakke kanten van een kind.

Testen, waarom en wanneer?
Een kind wordt alleen getest als er aanleiding toe is. Bijvoorbeeld als de schoolvorderingen achterblijven of de prestaties van een kind niet overeenkomen met de indruk die het maakt. Een intelligentietest als de WISC is ook nooit het enige instrument om de capaciteiten en leerbaarheid van een kind te testen. Intelligentie bepaalt immers maar een deel van het schoolsucces. Bij een uitspraak voer de WISC moet niet alleen de eindscore genoemd worden, maar ook de manier waarop dat getal tot stand is gekomen. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat een kind wel de goede antwoorden weet als het meer tijd ter besschikking heeft, omdat het slecht presteert onder tijdsdruk. Verder moeten voor een goede diagnose van leerproblemen de uitkomsten van een WISC ondersteund worden met ander testmateriaal. Het is eerder regel dan uitzondering dat de uitkomsten van de WISC aanleiding geven tot nieuwe vragen. Bij de sub-test substitutie bijvoorbeeld kan een zwakke score in de visuele informatieverwerking ook te maken hebben met een zwakke concentratie of een zwakke schrijfmotoriek. Dan is het verstandig om op dergelijke specifieke gebieden door te testen.

Momentopname of constant gegeven?
Ouders vragen ons vaak of de uitkomst van een test als de WISC sterk kan veranderen in de loop van de tijd. Dat kan, maar is lang niet altijd het geval. In de regel kun je stellen dat als er weinig problemen met een kind zijn, de uitkomsten met de jaren niet veel zullen verschillen. Maar bij kinderen waar wel problemen worden geconstateerd, kan door gerichte training en oefening de uitkomst veranderen. Het betekent niet dat een kind dan intelligenter wordt, maar meer in staat is zijn intelligentie te laten zien. Dat geldt vooral voor training en oefening op jonge leeftijd. Bij de afname van de WISC geldt de regel dat deze test niet meer dan een keer per jaar afgenomen mag worden en er bij voorkeur twee jaar tussen dient te zitten. Zo wordt voorkomen dat het kind de test nog te goed kent van de vorige keer, waardoor vertekeningen van de score kan optreden.

SitemapContact