Podium :: Verhalen :: Kleinkapje, Niels van Bijsterveldt
Kleinkapje
Er was eens een kleine jongen met een mantel en die was bij zijn geboorte niet groter dan een duim.
Op zijn mantel zat een kapje en daarom werd hij Kleinkapje genoemd.
Kleinkapje kwam uit een houthakkersfamilie en hij had zeven broertjes.
Op een dag hadden de vader en moeder van Kleinkapje niet meer genoeg te eten in huis en moesten ze een klein stukje brood met zijn zevenen delen.
´S avonds toen iedereen sliep zaten de ouders van Kleinkapje aan tafel en Kleinkapje had zich verstopt onder de stoel.
Zijn vader zei dat ze hem en zijn broers morgen zullen laten verdwalen in het bos tijdens het houthakken.
De volgende morgen strooide Kleinkapje kiezelsteentjes zodat ze de weg naar huis zouden kunnen vinden.
En zo kwamen ze weer thuis.
De volgende dag probeerde de ouders van Kleinkapje het weer en toen strooide Kleinkapje broodkruimels.
Alleen toen Kleinkapje het pad van broodkruimels probeerde te volgen zag hij dat de vogels alles hadden opgegeten.
Kleinkapje klom in een boom en zag verderop het huis van grootmoeder staan.
Toen ze er heen liepen kwamen ze de wolf tegen en die vroeg of ze een wedstrijdje wilden doen wie er het eerst bij grootmoeder was.
Kleinkapje en zijn broers vonden het wel goed en namen het lange kronkelpad terwijl de wolf er razendsnel vandoor ging over het korte pad.
Kleinkapje en zijn broers kwamen op het pad de vrouw van de grote reus tegen en vroegen haar of ze bij haar mochten overnachten.
De vrouw waarschuwde hen voor haar man, de reus, die kindertjes at.
Maar Kleinkapje en zijn broers trokken zich daar niets van aan.
Ondertussen was de wolf bij oma´s huisje aangekomen en deed hij Kleinkapjes stem na en zei: grootmoeder ik ben het uw kleinzoontje en ik wil bij u de nacht door brengen.
Oma zei: trek maar aan het touwtje dan gaat de deur vanzelf open.
De wolf trok aan het touwtje en de deur ging open.
In het donker kon die arme grootmoeder niet zien dat het de wolf was en hij verslond haar met huid en haar.
Hij trok haar nachtjapon aan en ging in haar bed liggen.
Toen Kleinkapje en zijn broers aankwamen bij het huis van de reus was de reus weg en moesten ze zich onder het bed verstoppen van de vrouw.
Toen kwam de reus thuis van de jacht en hij was boos en hongerig.
Zijn vrouw zei dat haar man moest komen eten toen de reus mensenvlees rook.
Hij zei dat hij mensenvlees rook, maar zijn vrouw zei dat dat het kalf was dat lag te braden.
De reus keek onder het bed en zei: Aha! Je probeert me dus voor de gek te houden lelijk vrouwenmens.
Daarna trok hij ze een voor een onder het bed vandaan.
Hij ging zijn mes slijpen voor het feestmaal.
De kinderen waren doodsbang.
Maar zijn vrouw hield hem tegen en riep dat hij al genoeg te eten had, een kalf, het schaap en het halve varken.
En morgen komen je drie reuzenvrienden die kun je dan mooi een feestmaal voorzetten.
Die blije reus dronk meer dan goed voor je is en hij ging stomdronken naar zijn bed toe.
De vrouw van de reus stopte de jongens goed in.
De jongens sliepen naast de zeven dochtertjes van de reus.
De meisjes hadden kroontjes op en de jongens petjes.
Kleinkapje had zo´n vermoeden dat de reus ´s nachts honger zou krijgen en hem en zijn broers komen verslinden.
Daarom verwisselde hij de mutsjes met de kroontjes.
En Kleinkapje kreeg gelijk de reus kreeg honger en at zijn dochtertjes op.
Toen Kleinkapje en zijn broers waren gevlucht kreeg de wolf honger en ging hij kijken waar Kleinkapje en zijn broers bleven toen hij door het bos liep vond hij niemand.
Toen de reus ontdekte dat Kleinkapje en zijn broers weg waren en hij zijn dochters had opgegeten werd hij woest en ging hij achter de jongens aan met zijn zevenmijlslaarzen.
Kleinkapje en zijn broers gingen naar grootmoeders huis, maar daar was helemaal niemand.
Toen dachten ze dat de reus haar had opgegeten.
Even later kwamen ze de wolf tegen en vroegen ze hem of hij wist waar hun oma was.
De wolf zei dat hij van niets wist en Kleinkapje bedacht een plan om oma en hun huis weer terug te vinden.
Een van hen en de wolf wachtte bij grootmoeders huis terwijl de rest zocht en telkens moest een ander wachten met de wolf.
Om de weg terug te kunnen vinden moesten ze kiezelsteentjes verzamelen en ze onderweg strooien.
Alleen toen iedereen weg at de wolf een van de broertjes van Kleinkapje op.
En toen de volgende terugkwam en vroeg waar zijn broertje was zei de wolf poeslief: hij is even nieuwe steentjes halen maar je kunt hier gewoon op wacht staan.
En zo verslond de wolf de eerste vier broertjes van Kleinkapje.
Toen Kleinkapje terugkwam voor de wacht zag hij de ronde buik van de wolf en ging hij als een haas zijn broers waarschuwen.
Kleinkapje en zijn broers hadden een stuk touw gevonden waar ze de wolf vast mee wilden binden.
Ze slopen naar de in slaap gevallen wolf, maar opeens hoorde ze de grond trillen...
De reus met zijn zevenmijlslaarzen kwam er aan en Kleinkapje en zijn twee broers verstopte zich achter een steen.
De wolf sliep heel diep en hij bleef rustig liggen toen de reus eraan kwam.
De reus was moe en moest wachten op zijn vrienden die geen zevenmijlslaarzen hadden en daarom ging hij slapen tegen grootmoeders huisje.
Kleinkapje zag zijn kans schoon en bond de reus vast en stal zijn laarzen.
Met de zevenmijlslaarzen rende hij snel naar het huis van de reus waar hij de vrouw van de reus wijs maakte dat de reus was overvallen en dat hij al zijn geld nodig had.
De vrouw gaf hem het geld en Kleinkapje ging terug naar zijn broers.
Op de terugweg kwam hij een jager tegen aan wie hij vroeg om zijn broers uit de wolf te halen.
Kleinkapje zag dat hij er veel eerder was dan de jager en besloot om het geld van de reus naar huis te brengen.
Met zijn zevenmijlslaarzen was hij al heel snel weer bij zijn vader en huilende moeder.
De moeder was dolblij om Kleinkapje weer te zien, maar ze was tegelijk ongerust over haar andere zoons.
Kleinkapje zei dat ze allemaal terug zouden komen en ging weer op pad.
Toen hij bij zijn broers was zag hij de jager die net aan kwam lopen.
De jager sneed de buik van de wolf open en tot ieders verbazing vonden ze behalve de jongens ook grootmoeder.
De jager vulde de buik van de wolf met stenen.
Grootmoeder kon haar huis in en ze naaide de buik van de wolf netjes dicht.
Kleinkapjes broers gingen naar huis terwijl Kleinkapje tegen de vrouw van de reus zei dat ze haar man bij het huis van grootmoeder kon ophalen.
Kleinkapje en zijn familie leefden nog lang en gelukkig.
Einde